| Historiek: |
|
Een 25 jaar geleden ben ik begonnen met het aanleggen van een vijvertje in mijn tuin.
Daar ik natuurliefhebber ben werd de oever aangeplant met allerlei inheemse planten, door mijn zoektocht naar deze planten, in allerlei handelszaken, kwam ik in het bezit van twee Dactylorhiza preatermissa (rietorchis). Aangezien ik als leek de tropische soorten voor ogen had, kregen deze planten extra aandacht en de mooiste plaats aan mijn vijvertje, het volgende jaar zag ik overal jonge plantjes met gevlekte blaadjes, het kon niet anders de planten hadden zichzelf uitgezaaid in mijn tuin! Hierdoor was mijn interesse voor aardorchideeën voorgoed gewekt en was ik besmet met het orchideeënvirus op de hoogste graad. Mijn speurtocht naar informatie over inheemse orchideeën leerde mij dat deze planten beschermd waren, uiterst zeldzaam aan het worden zijn en er veel verschillende soorten van bestonden. |
|
|
| cultuur: |
|
- de planten buiten kweken (dus niet in een kas)
- de plant kweken en niet de schimmel. - een goed gedraineerd grondmengsel gebruiken. Bij mijn experimenten besloot ik af te stappen van de bestaande gegevens voor het kweken van Cypripedium (Sadovski, enz..) en besloot de planten te kweken in kunststof hobby boxen, afmetingen; 50x40x30, op 5cm van de bodem maak ik gaatjes zodat het overtollige water weg kan maar er toch een vijftal cm water onder de planten staat dit om de wortels koel te houden. Het substraat dat ik gebruik kan je opsplitsen in een licht zure- en een licht alkalisch substraat. Het mengsel bestaat uit 60% mineraal en 40% organisch materiaal |
| 1) het licht zure mengsel bestaat uit 60% mineraal en 40% organisch: |
|
- 60% minerale gedeelte bestaat uit; 70% vulkakorrel en 30% perlit (dit alles is het totaal van de 100% minerale gedeelte)
- 40% organisch gedeelte bestaat uit; 40% zaai en stekgrond, 20% onbemeste potgrond, 20% goede vijveraarde, en 20% dennennaalden (dit alles is het totaal van de 100% organisch gedeelte) |
| 2) het licht alkalisch mengsel bestaat uit 60% mineraal en 40% organisch: |
|
- 60% minerale gedeelte; 60% vulkakorrel en 20% perlit en 20% gemalen oesterschelpen (dit alles is het totaal van de 100% minerale gedeelte)
- 40% organisch gedeelte; 50% zaai en stekgrond, 20% onbemeste potgrond, 30% goede vijveraarde (dit alles is het totaal van de 100% organisch gedeelte) Je zult opgemerkt hebben, dat ik maar twee mengselsoorten gebruik en dat de materialen in ieder tuincentra kan gevonden word ik let wel op dat de zaai- en stekaarde, de vijveraarde en de potgrond een 5.8 tot 6 PH hebben zodat ik altijd van een gelijke PH kan vertrekken bij het maken van de mengeling. Dit mengsel is in schril contrast met de vroegere waarden. Zoals bosgrond, leemgrond, kleigrond, enz.. die overal verschillend zijn, zo kwam het dat iemand die grond uit gebied A gebruikte betere resultaten had dan iemand met grond uit gebied B. In feite is het vergelijkbaar als bij het houden van kamerplanten die uit alle streken van de wereld komen, en toch in een universele potgrond gekweekt worden, die overal in de handel verkrijgbaar is. Met dit in gedachte heb ik dus bovenstaande twee grondmengsels samengesteld en bereik ik goede resultaten. Ik vul de hobbyboxen voor het zure mengsel met 5cm hydrokorrels, dan komt er een 25 cm van mengsel 1 en dit alles dek ik af met een 5 cm vulkakorrel. |
|
|
|
Deze planten hebben ook in mijn rotstuin een mooie plaats ingenomen en doen het daar uitstekend, ik heb zoals hierboven beschreven hobbyboxen ingeplant in mijn rotstuin op een halfbeschaduwde plaats, deze boxen kan je gemakkelijk camoufleren met stenen zodat het een natuurlijk geheel vormt en deze planten komen enorm goed uit op een helling.
Ook geef ik de raad aan de huidige en toekomstige kwekers van vrouwenschoentjes te beginnen met gemakkelijke soorten zoals; C.reginea en C.parviflorum pubecense, C.kentuckiense, C.flavum, ook zijn de kruisingen gemakkelijker dan de botanische soorten. Later na voldoende ervaring opgedaan te hebben met de gemakkelijker soorten kan men dan overschakelen naar de moeilijker soorten, er zijn in totaal al tientallen soorten bekend. Zoals reeds boven aangegeven, volg ik mijn standpunt, kweek de plant en niet de schimmel, vroeger beweerde Sadovski dat aardorchideeën uitsluitend konden gekweekt worden met hun schimmel, bij vrouwenschoentjes is het zo dat de schimmel nodig is bij het kiemen in de natuur van het zaad maar niet voor het verder opgroeien van de plant. Doordat we reeds in de weefsel cultuur zover gevorderd zijn bij het laten kiemen en opkweken van de zaailingen in vitro hebben we deze schimmel niet meer nodig, en is het best de planten schimmelvrij te kweken. Mijn planten krijgen, als de nieuwe neuzen zichtbaar worden, een klein beetje langwerkende meststof toegediend (osmocote met sporenelementen), dit dient langs de ene kant om de plant voldoende voedsel te geven en langs de andere kant om de schimmels tegen te houden. Mijn beste ervaringen heb ik met mijn eigen zaailingen, die ik met veel geduld van zaad tot bloeiende plant opkweek, niets is prettiger dan deze eindelijk te zien bloeien na vijf tot tien jaar!! Deze in vitro gekweekte zaailingen, worden uit de fles gehaald en in de grove vulkakorrel voor 2 tot 3 maand in de koelkast geplaatst bij een temperatuur van ongeveer 4° dan worden ze in maart april in zuivere grove vulka buiten gezet in bakken, na het tweede jaar kan je ze uitplanten in de tuin |